user_mobilelogo

De Grand Tour: Engelse edelen reizen naar Italië

(artikel gepubliceerd in het tijdschrift OMNES van de Vereniging Pelgrimswegen naar Rome)

 

In de achttiende eeuw stond een reis naar Italië op de bucket list van de Engelse aristocratie. Deze Grand Tour (Grote Rondreis) was een leerschool in Romeinse geschiedenis én renaissancekunst. Na de educatieve reis werd de grand tourist geacht kennis te hebben van politiek, filosofie en kunst.

De Grand Tour 

In de achttiende eeuw maakten Engelsen een meerdere jaren durende reis naar Italië om de verworvenheden van de Romeinse tijd én de werken van renaissancekunstenaars als Leonardo da Vinci, Michelangelo en Bernini te bewonderen. Het doel van zo’n Grand Tour - de term werd voor het eerst gebruikt in 1670 - was het opdoen van kennis op het gebied van kunst en literatuur én inzicht te verkrijgen in de politieke verhoudingen. Door de hoge kosten was de reis uitsluitend weggelegd voor de kapitaalkrachtige aristocratie.

De grand tourists waren aanvankelijk aristocratische jongemannen. Zij werden vergezeld door een leraar die zijn pupil op het rechte pad van kunst, wetenschap en cultuur moest houden. De tutor werd spottend bear leader genoemd omdat de puberende jongens zich als ongelikte beren gedroegen. Na thuiskomst werden de jongemannen geacht een grote kennis van kunst en cultuur te hebben. De werkelijkheid was evenwel dat zij zich vooral hadden beziggehouden met drinken, biljarten en het veroveren van gewillige dames! In kranten en tijdschriften werd het gedrag van de bloem van de Britse natie scherp afgekeurd of was op zijn minst onderwerp van spot. De kritiek nam in de tweede helft van de achttiende eeuw af toen ook gedistingeerde oudere heren en vrouwen op reis gingen.

 

Moeilijkheden en genoegens

De grand tourists werden op hun reis vergezeld door meereizend personeel. De reizigers wisten dat zij buiten de grote steden niet op het comfort konden rekenen waaraan zij thuis gewend waren. Daarom hadden zij eigen bedlinnen, tafellakens en bestek bij zich. Last but not least moesten medicijnen voor alle mogelijke ziektes meegenomen worden aangezien de buitenlandse artsen niet te vertrouwen zouden zijn.

De Grand Tour was voor de verwende aristocraten niet altijd luxueus. Ze werden dagenlang door elkaar geschud op hobbelige wegen, kregen slecht eten, overnachtten in vuile herbergen en werden afgeperst door herbergiers en tolgaarders. In de grote steden daarentegen konden de grand tourists leven zoals ze dat thuis gewend waren. Ze huurden een appartement en namen kleedsters, kappers en lakeien in dienst. In het mondaine Parijs, de eerste stad die op de Grand Tour werd aangedaan, werd een nieuwe garderobe aangeschaft. Gekleed, bepruikt, bepoederd en geparfumeerd konden de milords anglais daarna à la mode in het openbaar verschijnen.

In de grote steden stonden uiteraard voor de Grand Tourists bezoeken aan de bezienswaardigheden op het programma. Tevens moest kennis gemaakt worden met de lokale beau monde. Hiervoor was een aanbevelingsbrief noodzakelijk zodat de gastheren er verzekerd van waren gasten van standing te ontvangen. Dat gold vooral voor een bezoek aan de salons of conversazioni waar in een select gezelschap over cultuur, literatuur en politiek werd gediscussieerd. Voor vermaak bezochten de grand tourists de opera. De muziek was overigens bijzaak: in de loges converseerde de fine fleur, speelde kaart en gebruikte het souper. Veel zangers behoorden tot de castrati, een stemtype dat in de achttiende eeuw geliefd was. De rooms-katholieke kerk verbood de ingreep die nodig was om dit stemtype te verkrijgen ten strengste, maar er werd de draai aan gegeven dat de castratie nodig was vanwege een of andere onbestemde ziekte.

De eerste stop in Italië was Venetië, dat via Turijn en Milaan bereikt werd. Onderweg deden de Engelsen natuurlijk ook Verona aan want dat was de plaats van handeling van Shakespeare’s Romeo en Julia. Venetië was vanwege de unieke ligging, de bezienswaardige gebouwen en schilderijen een must see. De milordi Inglese bewonderden vooral de gebouwen rond het San Marcoplein, maar stoorden zich aan de stank die er heerste omdat de burgers er hun behoeften deden. Zelfs in de San Marco kon de wierook de stank niet verbloemen. Venetië werd bij voorkeur bezocht in de carnavalsperiode. Onherkenbaar verkleed konden de milords zich anoniem overgeven aan de geneugten die Venetië te bieden had: gokken in de ridotti (speellokalen), bezoeken van obscene theaterstukken én het bezoeken van de casini (“huisjes”) om zich over te geven aan de geneugten des vlezes. Discretie verzekerd.

01 tekstVenetië was mooi, maar de bezoeken aan Florence, Rome en Napels golden toch als de hoogtepunten op de reis. Vooral in Florence voelden de Engelsen zich thuis omdat daar een kolonie was ontstaan van landgenoten die zich er vanwege het gezonde klimaat hadden gevestigd. Bovendien was de kunstcollectie van de Groothertog van Toscane in de Tribuna van de Galleria degli Uffizi niet te versmaden.

Rome had de grand tourist veel te bieden: de kunstschatten van het Vaticaan, overblijfselen van het vroege christendom, kunst en architectuur van de renaissance en plekken die associaties hadden met het klassieke Rome. De grand tourists werden veelal begeleid door een antiquarian: een expert op het gebied van kunst en archeologie. Een serieus programma besloeg zeker elke dag drie uur, en dat gedurende een periode van minimaal zes weken. De die-hards koppelden aan hun verblijf nog een bezoek aan buiten Rome gelegen plaatsen waar de elite al eeuwen lang in de zomermaanden verbleef om de hitte en stank van de stad te ontvluchtten. In die plaatsen waren zoveel overblijfselen uit de klassieke oudheid te zien dat een tripje ondernomen kon worden zonder voor frivool versleten te worden.

Vanwege het aangename klimaat en de weelderige natuur werd Napels als de aangenaamste stad beschouwd. Interessant was vooral de Vesuvius die na eeuwenlange rust tegen het einde van de achttiende eeuw weer actief was geworden. Desondanks stond de niet van gevaar ontblootte beklimming van de vulkaan op het programma. Na 1750 werden de opgravingen bij Pompeï en Herculaneum een must see. Ook in Napels werden de grand tourists ontvangen door de plaatselijke adel voor gedistingeerd vermaak. De gastvrijheid van de vorsten van het koninkrijk Napels gold overigens uitsluitend Engelsen uit de allerhoogste kringen.

Soms reisden de grand tourists via Zwitserland en Duitsland terug naar huis. Daarbij werden ook de Lage Landen bezocht. De algemene indruk was goed, met veel lof voor de schone kamers, de snelle en efficiënte “trechschuyt” (trekschuit) en het geordende leven. In Amsterdam was veel aandacht voor de kunstschatten. Alleen het Nederlandse eten (“hutsepot”) werd vaak met afschuw beschreven.

 

De herinneringen vasthouden

De grand tourists gingen niet met lege handen naar huis: krattenvol met souvenirs werden naar England verscheept. Vooral werken van vermaarde schilders uit de renaissance én bij opgravingen gevonden Romeinse, Etruskische en Egyptische objecten werden gekocht. Als het niet lukte om een origineel van schilderijen uit de renaissance te bemachtigen dan werd aan kunstenaars de opdracht gegeven om een kopie te maken. De grand tourists waren voor de uit heel Europa afkomstige schilders ook een profijtelijke markt voor portretten met op de 02 tekstachtergrond een herkenbaar gebouw uit de oudheid of een klassiek beeldhouwwerk. Eenmaal thuis konden geportretteerden hiermee pronken: zij beschikten over de middelen om naar Italië te reizen en zich daar bezig te houden met kunst en cultuur.

Niet alles wat de grand tourists zagen en meemaakten kon de toets van de Engelse kritiek doorstaan. De gotische bouwwerken werden als ouderwets beschouwd en de in symmetrische stijl aangelegde tuinen konden hen niet bekoren. Het was voor de preutse Engelsen een cultuurschok als ze zagen hoe vrijelijk mannen en vrouwen met elkaar omgingen.

Helemaal schandalig was het fenomeen cecisbeo: de minnaar die vrouwen er openlijk op na hielden. Jonge vrouwen die met oudere mannen moesten trouwen lieten haar recht op een cecisbeo zelfs in het huwelijkscontract opnemen. Last but not least stoorden de protestantse Engelsen zich aan de “paapse” gewoonten. Op kerkelijke feestdagen woonden zij wel als verplicht nummer de mis bij, maar fervente antikatholieken gingen demonstratief met hun rug naar het altaar staan.

 

Het einde van de Grand Tour

In de negentiende eeuw werd reizen met “moderne” transportmiddelen als de stoomtrein en -boot goedkoper en sneller. Hierdoor kwam reizen binnen handbereik van de hoge burgerij die dan wel niet schatrijk maar toch ook niet onbemiddeld was. Reizen was niet langer het exclusieve voorrecht van de Engelse aristocratie en ook werden alle Europese landen en zelfs het Ottomaanse Rijk het reisdoel. In het begin van de negentiende eeuw verscheen voor het eerst het woord “toerist” in de woordenboeken. Reizen werd gedemocratiseerd; de elitaire Grand Tour was voltooid verleden tijd.

 

Geraadpleegde bronnen:

Janneke Budding, De Grand Tour in de 18e eeuw. Op reis door Frankrijk en Italië, Brave New Books, 2018

Crawford Alexander Mann, Pilgrims of Beauty. Art and Inspiration in 19th Century Italy, 2012 (www.academia.edu)

Evert Verreth, Baedeker achterna. De reiscultuur van hoogburgerlijke families aan het einde van de negentiende eeuw, 2015 (www.academia.edu)

Jan Hein Furnée en Leonieke Vermeer, Op reis in de negentiende eeuw, Verloren, 2014